Naar de inhoud

Probleem van basisvertrouwen

Vertrouwen is niet tastbaar. Het ontstaat uit verwachtingen, herhaalde ervaringen, sociale signalen en de interpretatie van intenties. Bij laag-contextueel denken is dit proces vaak bemoeilijkt, waardoor basisvertrouwen fragiel blijft.
Twee mensen dicht bij elkaar maar met een subtiele emotionele afstand tussen hen
Basisvertrouwen groeit traag via herhaling, intentie en tijd. Als die samenhang moeilijk voelbaar is, blijft nabijheid kwetsbaar.

Vertrouwen is niet tastbaar. Het ontstaat uit verwachtingen, herhaalde ervaringen, sociale signalen en de interpretatie van intenties. Bij laag-contextueel denken is dit proces vaak bemoeilijkt, waardoor basisvertrouwen fragiel blijft.

Moeilijkheden bij laag-contextueel denken

Voorbeelden

Casus

Een vriend antwoordt een keer niet op een bericht. De laag-contextuele persoon concludeert direct: "Hij heeft geen interesse meer." Er is geen ruimte om context te overwegen (druk, vergeten, andere prioriteit). Het vertrouwen stort meteen in.

Casus

Een partner zegt "ik vertrouw je." De laag-contextuele persoon ervaart dit enkel op dat moment. Omdat er moeite is met tijdslijnen en het koppelen van gedrag over langere termijn, moet dit vertrouwen telkens opnieuw expliciet bevestigd worden.

Vertrouwen over tijd

In wezen bouwt vertrouwen zich op via:

Omdat laag-contextuele personen moeite hebben met dit soort integratie, ervaren zij vertrouwen als iets dat steeds opnieuw hersteld moet worden. Basisvertrouwen komt daardoor moeilijk tot stand, en blijft kwetsbaar bij kleine verstoringen.

Wat zegt het ontwikkelingsperspectief?

Het idee van basisvertrouwen is niet nieuw. Erik Erikson (1968) zag basisvertrouwen tegenover basiswantrouwen als de allereerste ontwikkelingstaak, in de eerste anderhalf levensjaar. De hechtingstheorie (Bowlby, Ainsworth, Main) werkte dit verder uit tot een groot onderzoeksveld.

Izaki en collega's (2024) bespreken de neurobiologische wortels van het hechtingssysteem.1 Hun overzicht beperkt zich tot specifieke hersengebieden en mechanismen; we houden ons hier strikt aan wat zij werkelijk bespreken.

Vertrouwen en autisme — wat zegt het onderzoek?

Een oud misverstand luidt dat autistische kinderen geen hechting kunnen opbouwen. Dat klopt niet. Teague en collega's (2017) toonden in een systematische review dat autistische kinderen wel degelijk hechting vormen — al is de standaard meetmethode (de zogeheten Strange Situation, een observatieprocedure) niet probleemloos toepasbaar.2

Een recente meta-analyse van Trottier-Dumont en collega's (2025) bundelde 202 autistische kinderen uit zes studies.3 Ongeveer 46% was veilig gehecht, 19% vermijdend, 9% verzettend en 27% gedesorganiseerd (grillig, zonder duidelijke strategie).

Belangrijke nuance. De eerste drie cijfers liggen dicht bij de algemene bevolking. De gedesorganiseerde hechting is in sommige leeftijdsgroepen wél duidelijk verhoogd. Het is dus niet juist om te zeggen dat het beeld "volledig vergelijkbaar" is.

Bij volwassenen leverden Sonfelianu en collega's (2025) een systematische review op twaalf studies.4 Eén kanttekening weegt zwaar: bijna 99% van de onderzochte volwassenen was vrouw. De conclusies laten zich dus niet zomaar doortrekken naar mannen. Taurino en collega's (2025) brachten het bredere onderzoeksveld in kaart.5

Epistemic trust: vertrouwen in de bron

Een verwant begrip is epistemic trust: het vermogen om informatie van anderen als relevant en bruikbaar te aanvaarden. Herstel ervan wordt gezien als een werkzaam bestanddeel van psychotherapie (Campbell, Kumpasoğlu & Fonagy, 2024).6 Het verlies ervan noemen Fonagy, Luyten en Allison (2015) epistemic petrification: een vroege relationele breuk waardoor iemand gecommuniceerde kennis niet meer gebruikt om zijn wereldbeeld bij te stellen.7

Een eigen synthese, als zodanig benoemd: contextgevoeligheid is een vermogen dat in veilige relaties groeit en in onveilige relaties of bij een neurobiologische aanleg kan haperen. Vertrouwen geven vraagt net het tegenovergestelde van contextblindheid: de context even kunnen wegnemen — "ik vertrouw je, ook zonder bewijs op dit moment".

Let wel: epistemic trust als meetbare maat is nog jong; de validiteit is nog in ontwikkeling.

Overlap tussen autisme, hechtingsstoornissen, CPTSS en EUPS

Vergelijkbare klachten kunnen bij heel verschillende beelden horen: autisme, hechtingsstoornissen, complexe posttraumatische stressstoornis (CPTSS) en de emotioneel-instabiele persoonlijkheidsstoornis (EUPS). Sarr en collega's (2025) bevroegen 106 internationale experts in een gestructureerde consensusstudie (een Delphi-studie) over hoe je deze beelden uit elkaar houdt.8

Dat leverde 275 consensusuitspraken op over overlappende en onderscheidende kenmerken. Belangrijk: een Delphi-studie geeft expertconsensus, geen empirische bewijsvoering. De laatste ronde berustte bovendien op 55 deelnemers. Lees de uitkomst dus als een gedeeld oordeel van deskundigen, niet als hard bewijs.

Maar let op: de poging om deze beelden netjes uit elkaar te houden is zélf weer een vorm van vakjesdenken. Dat de klachten zo sterk overlappen, is voor ons juist het signaal. Vanuit contextdenken is de vraag niet "in welk vakje hoort deze persoon?", maar "hoe verwerkt dit brein context — en waar loopt dat vast?". Die vraag snijdt dwars door de labels heen. Zie ook Context en DSM.

Verder

Zie ook persoonlijkheidsstoornissen voor de gevolgen van fragiel basisvertrouwen in de DSM-classificaties.

Referenties

  1. Izaki, A., Verbeke, W. J. M. I., Vrtička, P., & Ein-Dor, T. (2024). A narrative on the neurobiological roots of attachment-system functioning. Communications Psychology, 2(1), 96. doi:10.1038/s44271-024-00147-9PubMed 39406946
  2. Teague, S. J., Gray, K. M., Tonge, B. J., & Newman, L. K. (2017). Attachment in children with autism spectrum disorder: A systematic review. Research in Autism Spectrum Disorders, 35, 35–50. doi:10.1016/j.rasd.2016.12.002
  3. Trottier-Dumont, W., Bussières, E.-L., Deneault, A.-A., Madigan, S., & Cyr, C. (2025). Attachment in autistic children as measured with the strange situation procedure: a systematic review and a meta-analysis. Attachment & Human Development, 27(4), 634–656. doi:10.1080/14616734.2025.2541232
  4. Sonfelianu, A., González-Sala, F., & Lacomba-Trejo, L. (2025). Exploring Attachment in Adults With Autism Spectrum Disorder: A Systematic Review. Actas Españolas de Psiquiatría, 53(4), 813–838. doi:10.62641/aep.v53i4.1928
  5. Taurino, A., Musso, P., Risoli, T., Coppola, G., Stifano, C., & Cassibba, R. (2025). Attachment Security and Autism Spectrum Disorder: A Scoping Review. Review Journal of Autism and Developmental Disorders. doi:10.1007/s40489-025-00533-x
  6. Campbell, C., Kumpasoğlu, G. B., & Fonagy, P. (2024). Mentalizing, Epistemic Trust, and the Active Ingredients of Psychotherapy. Psychodynamic Psychiatry, 52(4), 435–451. doi:10.1521/pdps.2024.52.4.435PubMed 39679701
  7. Fonagy, P., Luyten, P., & Allison, E. (2015). Epistemic Petrification and the Restoration of Epistemic Trust. Journal of Personality Disorders, 29(5), 575–609. doi:10.1521/pedi.2015.29.5.575PubMed 26393477
  8. Sarr, R., Spain, D., Quinton, A. M. G., Happé, F., Brewin, C. R., Radcliffe, J., et al. (2025). Differential diagnosis of autism, attachment disorders, complex post-traumatic stress disorder and emotionally unstable personality disorder: A Delphi study. British Journal of Psychology, 116(1), 1–33. doi:10.1111/bjop.12731PubMed 39300915